International

Havanna Erfenis (Boekerij)

Havanna Erfenis (Boekerij)

2003

De Boek­erij

ISBN: 90–225-3555-x

1

Een van de frap­pantste bezienswaardighe­den van het Par­que de la Quinta, in de chique Havaanse wijk Mira­mar, zijn de vol­groeide, bijna twintig meter hoge ficussen. De tal­rijke hangende ranken ko­men tot aan de rode klei van het open­bare park, graven zich erin en vor­men wor­tels waar­door nieuwe sten­gels ron­dom de hoofd­stam ontstaan. Natu­ur­min­nende toeris­ten die in hun huu­rauto over de Vijfde Avenue langs de kust rij­den, houden vaak even in om ze aan te gapen. Ze riskeren een bon door langs de trot­toir­band te parke­ren en stap­pen dan uit om elkaar naast de plan­taardige reuzen te fo­tograferen of te filmen.

Wat dan gebeurt is dat de poli­tie­man — die onder een met­alen zon­nescherm staat bij de blink­end witte res­i­den­tie van de Bel­gis­che ambas­sadeur in Cuba, een ger­estau­reerd heren­huis op de hoek van de Vijfde en de 24ste Straat — gewoon­lijk iets in de porto­foon zegt als: ’41 voor 04. Een 314 op de Vijfde tussen de 24ste en 26ste. Ken­teken T-00357.’ Ver­vol­gens wacht hij om te zien of een patrouille­wagen de overtreder met een bekeur­ing opzadelt. Maar op de och­tend van vri­jdag 26 mei 2000, had de jonge agent staan lonken naar de vrouw die rond het park aan het joggen was en hij maakte geen meld­ing van de zwarte Hyundai die ille­gaal aan de kant van de Vijf­de was gestopt. Een lange, te zware man was uitgestapt.

Het blonde haar van de joggende vrouw was samenge­bon­den in een paar­den­staart die tot over haar schoud­ers kwam en ele­gant heen en weer zwaaide. Een licht­groen sweat­shirt bedekte een krappe beha met daarin kleine borsten; een zwarte lycra leg­ging omknelde overvloedig ronde heupen en mooi gevor­mde dijen; katoe­nen sok­ken en sportschoe­nen maak­ten haar out­fit com­pleet. De dien­der let­te niet op haar breed door­lopende wenkbrauwen, de honingkleuri-ge ogen, de rechte neus en dunne lip­pen. Zijn aan­dacht ging naar haar achter­ste, dat naar zijn smaak niet fors genoeg was. ‘Mooie temba,’ zei hij, Cubaans slang voor een aantrekke­lijke vrouw van eind der­tig of begin veertig.

Haar lange met­gezel, een paar meter achter haar, had het voor­komen van een weten­schap­per op mid­del­bare leeftijd die besloten had om geregeld te gaan trainen, maar pas nadat hij ver­standelijk had bere­de­neerd wat de voorde­len waren. Deze indruk werd ver­sterkt door onschuldig kijk­ende blauwe ogen en een gladgeschoren gezicht. Hij was ruim vijf­tien cen­time­ter langer dan de één meter zes­tig die zij mat, en had kop­erkleurig kort haar, gedeel­telijk bedekt door een gevlochten witte katoe­nen ban­dana. Hij droeg een paars-rood sweat­shirt over zijn platte borst en buik; onder zijn blauwe, wijd zit­tende korte broek waren harige benen zicht­baar. Zijn knoki-ge enkels staken uit boven een paar Reeboks, die hij zon­der sokken droeg.

De jog­gers sloe­gen op de hoek van de 24ste Straat af en vervolg­den hun vierde rondje op het trot­toir langs de Vijfde. Tran­spi­ratie glin­s­terde op hun gezicht en kleurde de kled­ing onder hun oksels donker. Hun huid, voor­zover zicht­baar, was dieproze.

En door die afwijk­ende kleur nam de agent aan dat de jog­gers 61 I’s waren, de code voor buiten­lan­ders. In Havana kun je, bij blanken, vanuit de verte vaak in één oogop­slag zien aan de tint van de huid of iemand een Cubaan is of een buiten­lan­der. Vooral in Mi-ramar, waar de ambas­sades en de kan­toren van de multi­na­tion­als vaak naast par­ti­c­uliere wonin­gen staan, zit je er niet snel naast als je probeert te raden wie Cubaan is en wie niet.

Kled­ing biedt geen feil­loze aan­wi­jz­ing. Hoewel de meeste Cuba­nen zich beschei­den kle­den, groeit het aan­tal mensen in modieuze sportk­led­ing en poenige loop­schoe­nen — de uitrust­ing die veel toe­risten verkiezen — ges­taag door het geld dat in het buiten­land wo­nende Cuba­nen jaar na jaar ops­turen. Een rode of roze huid­skleur, als con­trast met een natu­urlijke, alledaagse tint, is daarom veelzeg-gender.

Door het dikke loof­dak van het park bereik­ten weinig zonne­stralen de grond, waar stuk­jes gras het hache­lijke bestaan tussen het fijne grind rek­ten. Een tuin­man harkte dode bladeren aan. De geur van dauw en planten werd over­heerst door de uit­laat­gassen van het ver­keer dat con­tinu langss­nelde. Mussen en troepi­alen die bij de kro­nkel­paad­jes aan het pikken waren, zochten beschut­ting onder de takken en twi­j­gen als de wan­de­laars te dicht­bij kwamen.

Het stel liep langs een borst­beeld van gen­er­aal Prado, de negen-tiende-eeuwse Peru­aanse pres­i­dent die voor de onafhanke­lijkheid van Cuba was, en ze gin­gen bij het trot­toir op de hoek van de 26ste Straat de hoek om. Ze kenden de buurt inmid­dels goed omdat ze hier op drie achtereen­vol­gende ocht­en­den had­den getraind, van 7.45 tot 8.15 uur, met een spel­ing van een paar minuten. Aan de an­dere kant van de straat had de kerk van Santa Rita de Casia haar deuren geopend, zowel voor parochi­a­nen als voor bezoekers.

De jog­gers gin­gen de hoek om van de 26ste Straat met de Derde A, een straat met een bocht. De lange, dikke man die een mon­u­ment voor Mahatma Ghandi achter de per­gola stond te bek­ijken, en drie jonge­man­nen die aan het klet­sen waren op de hoek van de Derde A en de 26ste Straat, keken nieuws­gierig naar het stel toen de man in­hield, stopte, voorover­boog en beide knieën vast­pakte. Met een on­zekere blik keek de vrouw even achterom, ze ging langza­mer lopen en kwam tot stil­stand. Hij ging op zijn hurken zit­ten. Ze liep enkele passen terug, legde veron­trust haar link­er­hand op zijn rug en sprak hem bezorgd toe.

De man knikte voor­dat hij weer overeind kwam. Ze probeer­den alle­bei weer op adem te komen. Ze zei iets en keek naar het appar­tementengebouw aan de overkant van de straat, dat drie verdiepin­gen telde. Hij schudde met zijn hoofd, maar pakte toen haar schou­der vast alsof hij in even­wicht tra­chtte te bli­jven. Met een bezorgde uit­drukking op haar gezicht lei­dde ze hem in de richt­ing van het gebouw.

De kubus van beton en bak­steen met het num­mer 2406 bestond uit zes een­heden, drie aan de straat, drie aan de achterkant. Het ge­bouw dateerde uit de jaren vijftig, was licht­grijs gev­erfd, 55 meter lang, 18 meter breed, 14 meter hoog, en lag naast een ter­rein waar de fun­derin­gen voor een nieuw gebouw wer­den aan­gelegd, en naast een par­ti­c­uliere won­ing met een rood betegeld dak. Het viel wat uit de toon in een buurt waar oud­ere archi­tec­tonis­che sti­jlen over­heersten. Drie balkons met openslaande deuren, één op elke verdie­ping, grens­den aan de straat.

Het stel vol­gde het voet­paadje van cement langs de opri­jlaan naar een overdekt hal­letje en ging naar bin­nen. Op de voordeur hing het getal l in koper. Rechts bevond zich een marmeren trap naar de hogere verdiepin­gen. Na een min­u­utje deed een lange, knappe vrouw open. Ze droeg een witte blouse met korte mouwen, een don­kergroene rok tot op de knieën en had schoe­nen met hoge hakken aan.

‘Ja?’ vroeg de bewoon­ster ver­baasd in het Spaans, met de linker­wenkbrauw opgetrokken.

No Comments