De Boekerij
ISBN: 90–225-3555-x
1
Een van de frappantste bezienswaardigheden van het Parque de la Quinta, in de chique Havaanse wijk Miramar, zijn de volgroeide, bijna twintig meter hoge ficussen. De talrijke hangende ranken komen tot aan de rode klei van het openbare park, graven zich erin en vormen wortels waardoor nieuwe stengels rondom de hoofdstam ontstaan. Natuurminnende toeristen die in hun huurauto over de Vijfde Avenue langs de kust rijden, houden vaak even in om ze aan te gapen. Ze riskeren een bon door langs de trottoirband te parkeren en stappen dan uit om elkaar naast de plantaardige reuzen te fotograferen of te filmen.
Wat dan gebeurt is dat de politieman — die onder een metalen zonnescherm staat bij de blinkend witte residentie van de Belgische ambassadeur in Cuba, een gerestaureerd herenhuis op de hoek van de Vijfde en de 24ste Straat — gewoonlijk iets in de portofoon zegt als: ’41 voor 04. Een 314 op de Vijfde tussen de 24ste en 26ste. Kenteken T-00357.’ Vervolgens wacht hij om te zien of een patrouillewagen de overtreder met een bekeuring opzadelt. Maar op de ochtend van vrijdag 26 mei 2000, had de jonge agent staan lonken naar de vrouw die rond het park aan het joggen was en hij maakte geen melding van de zwarte Hyundai die illegaal aan de kant van de Vijfde was gestopt. Een lange, te zware man was uitgestapt.
Het blonde haar van de joggende vrouw was samengebonden in een paardenstaart die tot over haar schouders kwam en elegant heen en weer zwaaide. Een lichtgroen sweatshirt bedekte een krappe beha met daarin kleine borsten; een zwarte lycra legging omknelde overvloedig ronde heupen en mooi gevormde dijen; katoenen sokken en sportschoenen maakten haar outfit compleet. De diender lette niet op haar breed doorlopende wenkbrauwen, de honingkleuri-ge ogen, de rechte neus en dunne lippen. Zijn aandacht ging naar haar achterste, dat naar zijn smaak niet fors genoeg was. ‘Mooie temba,’ zei hij, Cubaans slang voor een aantrekkelijke vrouw van eind dertig of begin veertig.
Haar lange metgezel, een paar meter achter haar, had het voorkomen van een wetenschapper op middelbare leeftijd die besloten had om geregeld te gaan trainen, maar pas nadat hij verstandelijk had beredeneerd wat de voordelen waren. Deze indruk werd versterkt door onschuldig kijkende blauwe ogen en een gladgeschoren gezicht. Hij was ruim vijftien centimeter langer dan de één meter zestig die zij mat, en had koperkleurig kort haar, gedeeltelijk bedekt door een gevlochten witte katoenen bandana. Hij droeg een paars-rood sweatshirt over zijn platte borst en buik; onder zijn blauwe, wijd zittende korte broek waren harige benen zichtbaar. Zijn knoki-ge enkels staken uit boven een paar Reeboks, die hij zonder sokken droeg.
De joggers sloegen op de hoek van de 24ste Straat af en vervolgden hun vierde rondje op het trottoir langs de Vijfde. Transpiratie glinsterde op hun gezicht en kleurde de kleding onder hun oksels donker. Hun huid, voorzover zichtbaar, was dieproze.
En door die afwijkende kleur nam de agent aan dat de joggers 61 I’s waren, de code voor buitenlanders. In Havana kun je, bij blanken, vanuit de verte vaak in één oogopslag zien aan de tint van de huid of iemand een Cubaan is of een buitenlander. Vooral in Mi-ramar, waar de ambassades en de kantoren van de multinationals vaak naast particuliere woningen staan, zit je er niet snel naast als je probeert te raden wie Cubaan is en wie niet.
Kleding biedt geen feilloze aanwijzing. Hoewel de meeste Cubanen zich bescheiden kleden, groeit het aantal mensen in modieuze sportkleding en poenige loopschoenen — de uitrusting die veel toeristen verkiezen — gestaag door het geld dat in het buitenland wonende Cubanen jaar na jaar opsturen. Een rode of roze huidskleur, als contrast met een natuurlijke, alledaagse tint, is daarom veelzeg-gender.
Door het dikke loofdak van het park bereikten weinig zonnestralen de grond, waar stukjes gras het hachelijke bestaan tussen het fijne grind rekten. Een tuinman harkte dode bladeren aan. De geur van dauw en planten werd overheerst door de uitlaatgassen van het verkeer dat continu langssnelde. Mussen en troepialen die bij de kronkelpaadjes aan het pikken waren, zochten beschutting onder de takken en twijgen als de wandelaars te dichtbij kwamen.
Het stel liep langs een borstbeeld van generaal Prado, de negen-tiende-eeuwse Peruaanse president die voor de onafhankelijkheid van Cuba was, en ze gingen bij het trottoir op de hoek van de 26ste Straat de hoek om. Ze kenden de buurt inmiddels goed omdat ze hier op drie achtereenvolgende ochtenden hadden getraind, van 7.45 tot 8.15 uur, met een speling van een paar minuten. Aan de andere kant van de straat had de kerk van Santa Rita de Casia haar deuren geopend, zowel voor parochianen als voor bezoekers.
De joggers gingen de hoek om van de 26ste Straat met de Derde A, een straat met een bocht. De lange, dikke man die een monument voor Mahatma Ghandi achter de pergola stond te bekijken, en drie jongemannen die aan het kletsen waren op de hoek van de Derde A en de 26ste Straat, keken nieuwsgierig naar het stel toen de man inhield, stopte, vooroverboog en beide knieën vastpakte. Met een onzekere blik keek de vrouw even achterom, ze ging langzamer lopen en kwam tot stilstand. Hij ging op zijn hurken zitten. Ze liep enkele passen terug, legde verontrust haar linkerhand op zijn rug en sprak hem bezorgd toe.
De man knikte voordat hij weer overeind kwam. Ze probeerden allebei weer op adem te komen. Ze zei iets en keek naar het appartementengebouw aan de overkant van de straat, dat drie verdiepingen telde. Hij schudde met zijn hoofd, maar pakte toen haar schouder vast alsof hij in evenwicht trachtte te blijven. Met een bezorgde uitdrukking op haar gezicht leidde ze hem in de richting van het gebouw.
De kubus van beton en baksteen met het nummer 2406 bestond uit zes eenheden, drie aan de straat, drie aan de achterkant. Het gebouw dateerde uit de jaren vijftig, was lichtgrijs geverfd, 55 meter lang, 18 meter breed, 14 meter hoog, en lag naast een terrein waar de funderingen voor een nieuw gebouw werden aangelegd, en naast een particuliere woning met een rood betegeld dak. Het viel wat uit de toon in een buurt waar oudere architectonische stijlen overheersten. Drie balkons met openslaande deuren, één op elke verdieping, grensden aan de straat.
Het stel volgde het voetpaadje van cement langs de oprijlaan naar een overdekt halletje en ging naar binnen. Op de voordeur hing het getal l in koper. Rechts bevond zich een marmeren trap naar de hogere verdiepingen. Na een minuutje deed een lange, knappe vrouw open. Ze droeg een witte blouse met korte mouwen, een donkergroene rok tot op de knieën en had schoenen met hoge hakken aan.
‘Ja?’ vroeg de bewoonster verbaasd in het Spaans, met de linkerwenkbrauw opgetrokken.



No Comments